Interview met ex DeVeDo speelster Carina de Rooij in Helden Magazine

 In rolstoelbasketbal

Veel Nederlandse sporters gebruiken Papendal als thuisbasis. Helden gaat langs bij de Papendalgangers. In deel 9: Carina de Rooij (35), rolstoelbasketbalster en moeder van twee kinderen, die zich klaarmaakt voor de Paralympische Spelen in Rio.

Ik heb er spijt van dat…

“Ik op een heel stomme wijze mijn dwarslaesie heb opgelopen en nu in een rolstoel zit. Ik was achttien jaar en stond aan de nationale top van het turnen, moest een element doen op de brug. Terwijl ik bezig was, twijfelde ik. Ik was net hersteld van een armbreuk en wilde niet te veel risico nemen. En twijfelen in het turnen is fataal. Ik had de oefening al half ingezet en liet één arm los in plaats van twee. Toen gebeurde het.

Normaal gesproken weet je waar je bent als je valt. Je rolt weg of je maakt je klein. Dat had ik deze keer niet. Het werd zwart en ik wist meteen: dit is niet goed. De volgende dag werd ik geopereerd in het UMC in Utrecht, door de narcose en morfine kan ik me daar weinig van herinneren. Ze hebben een stukje bot weggehaald en een deel van de ruggenwervels met pinnen vastgezet, zodat het weer mooi aan elkaar kon groeien. Ik ben verlamd tot aan mijn knieën.
Ik vind turnen nog steeds de mooiste sport die er is, al volg ik het nu minder dan voorheen. Vroeger zat ik altijd voor de tv bij een belangrijk toernooi, ook toen het net was gebeurd. Het was niet confronterend.”

Ik ben trots op…

“Mijn gemaakte keuzes. Na die val heb ik mijn leven weer opgepakt, hoewel dat niet altijd makkelijk was. Nadat ik ben geopereerd heb ik een jaar in een revalidatiecentrum gezeten. Opnieuw leren bewegen, maar ook werken aan mijn zelfstandigheid. Hoe ging ik het studeren regelen? En m’n huisvesting? En welke sport kon ik gaan doen? Ik heb aan zwemmen, badminton en tafeltennis gedaan, maar bij rolstoelbasketbal had ik meteen een goed gevoel. Langzaamaan ben ik gaan beseffen dat ik mezelf goed kon redden. Ik ben trots op het feit dat ik niet bij de pakken neer ben gaan zitten, niet aan de kant ben blijven staan. Natuurlijk had ik weleens dipjes, maar daar ben ik ook weer uitgekomen. Mijn studiekeuze moest ik wel aan passen; ik was ingeloot voor fysiotherapie. Tijdens de revalidatie raadden ze me aan om wat anders te gaan studeren, anders was ik direct voor uitdagingen komen te staan waar ik nog niet helemaal aan toe was. In plaats van fysiotherapie koos ik voor een studie psychologie. Ik ben uiteindelijk kinderpsycholoog geworden. Mijn werk doe ik met veel plezier, alhoewel ik dat nu door het basketbal even op een laag pitje hebt gezet.”

Ik twijfel soms aan…

“Twijfelen is mijn slechtste eigenschap. Ik twijfelde als achttienjarige op de brug en zeventien jaar later doe ik het in het basketbal nog steeds. Dan denk ik: was die pass goed of had ik het anders moeten doen? Dat blijft ook nog eens lang in mijn hoofd rondspoken, terwijl ik het eigenlijk binnen een seconde weer kwijt moet zijn. Met onze assistent-coach Irene Sloof praat ik er veel over. In het dagelijks leven twijfel ik ook geregeld. Als ik aan het winkelen ben en een leuk vest zie hangen, begint het al in mijn hoofd te malen: zal ik het kopen of toch even verder kijken? Pas na een maand denk ik eraan terug en wil ik het hebben. En dan is het al weg. Thuis maken ze er vaak grapjes over. ‘Je hebt wat leuks gezien? O, je wacht zeker tot het er niet meer is!’ Na de Paralympische Spelen van 2012 in Londen twijfelde ik of ik zou stoppen met basketbal. Tijdens de Spelen was ik al drie maanden zwanger van Vajèn. Bang om een bal in mijn buik te krijgen was ik niet. Maar na de Spelen wilde ik me ook richten op andere dingen waaronder natuurlijk het moederschap; ik haalde nog te weinig plezier uit het basketballen. Na een paar maanden ben ik toch weer mee gaan trainen. Vajèn en haar oppas nam ik dan mee, want ik gaf borstvoeding. Pas afgelopen twee jaar, nadat we brons hadden gewonnen op het WK in 2014, kreeg ik weer echt plezier in het basketballen en wist ik zeker: ik ga door. Ik zag weer in dat onze ploeg veel potentie heeft, ben blij dat ik ben doorgegaan.”

Ik erger me aan…

“Als ik aan het shoppen ben en de dameskleding boven hangt, terwijl er alleen een trap is. Dan ga ik die winkel meteen weer uit en hoeft de verkoper ook echt geen kleding voor me te gaan halen.
Waar ik me soms ook aan kan ergeren, is als mensen tegen me zeggen: ‘Knap hoor, dat je zo bezig bent met basketbal. En wat leuk dat je ook kinderen hebt.’ Mensen bedoelen het misschien aardig, toch komt het een beetje denigrerend over. De ene keer denk ik na zo’n opmerking: bedankt, aardig van je. En op een andere dag juist: doe eens normaal! Hetzelfde geldt voor het nastaren. Op de roltrap bijvoorbeeld, want dan sta je stil en is er meer tijd om naar me te kijken. Op straat gebeurt het minder. Ach, als ik moe ben, ligt de irritatiegrens wat hoger, haha.
Waar ik me niet aan stoor, maar wat ik natuurlijk wel jammer vind, is de minimale aandacht voor paralympische sporten. Het zou leuk zijn als dat verandert. We trainen fulltime en doen en laten er veel voor. Het is topsport. Ik snap dat het besef langzaam moet groeien in de media, elke vier jaar krijgen we in ieder geval weer meer aandacht. Hopelijk zet dat door.”

Ik ben dankbaar…

“Dat ik het basketballen goed kan combineren met mijn gezinsleven. Kinderen krijgen is een van de meest bijzondere dingen in het leven. Mijn jongste dochter, Vajèn, is net drie geworden en mijn oudste dochter Amber is tien. Vanwege het basketballen ben ik veel op reis, het blijft moeilijk om ze dan achter te laten. Mijn man Anton is ook rolstoelbasketballer, hij zit in het Nederlands mannenteam, maar heeft daarnaast ook een goede baan. Er komt dus veel kijken bij de opvang. Ik ben dankbaar dat iedereen zoveel bijspringt. Zo helpen mijn ouders en schoonmoeder ons vaak. Inmiddels weten mijn dochters niet beter en gaat het hartstikke goed. En als we het kunnen regelen met school, gaat Amber weleens mee naar onze wedstrijden. Dat vindt ze fantastisch. Wel heb ik een behoorlijk strakke planning. Als ze na de training op Papendal nog een kwartiertje iets extra’s willen doen, is het eerste dat in mij opkomt: haal ik dat wel? Ik moet zo mijn kinderen ophalen! Gelukkig is de staf flexibel. Er wordt altijd met me meegedacht voor een oplossing, die steun doet me goed. Het is fijn dat op Papendal alles zo goed geregeld is; de trainingsmogelijkheden, het eten… De faciliteiten zijn fantastisch.”

Wie ik het meest bewonder…

“Ik denk dat ik mijn man Anton het meest bewonder. Ik heb hem ontmoet in het rolstoelbasketbal; hij heeft net als ik op jonge leeftijd een groot ongeluk gehad, met motorcross. We hebben het allebei vrij nuchter opgevat, ons niet uit het veld laten slaan. Er zijn ook mensen die naasten verliezen of heel erg ziek worden. Anton en ik kunnen nog bijna alles. Toen ik moest revalideren, kwam ik op de kinderafdeling terecht. Daar zag ik dat het nog wel erger kan dan een dwarslaesie…”

Ik huilde voor het laatst…

“Toen we brons veroverden op de Paralympische Spelen van 2012 heb ik wel een traantje gelaten van blijdschap. Maar echt huilen doe ik niet veel. Tijdens mijn revalidatie heb ik natuurlijk weleens in een dip gezeten, maar ik werd er niet depressief van. Als ik huil, doe ik dat vooral als ik er helemaal doorheen zit, moe ben en even moet herstellen. Maar na een paar minuten denk ik dan al: mens, stel je niet zo aan. Ik ben best hard voor mezelf. Ik ga lang door voordat ik aangeef dat ik echt niet meer kan.”

Wat ik anderen aanraad, is…

“Plezier hebben in wat je doet. Dat is het allerbelangrijkst, anders kun je er net zo goed mee stoppen. Ik heb veel plezier in het rolstoelbasketbal, maar vind het ook fantastisch om met kinderen te werken. Als psycholoog vind ik het geweldig om kinderen die het moeilijk hebben of hobbels op hun weg vinden, te kunnen begeleiden naar een betere toekomst. De basis ligt toch bij een kind. En hoe steviger die is, des te makkelijker ze zich ontwikkelen. Na mijn sportcarrière wil ik absoluut weer aan de slag als kinderpsycholoog.”

Mijn droom is…

“De gouden medaille winnen in Rio de Janeiro. Dat is de reden waarom ik ben doorgegaan. Op de vorige Spelen wonnen we brons, net als op het WK in 2014. Ik proefde toen al een kleine teleurstelling, we waren niet meer zo blij met die derde plek. Goud is waar we voor gaan en dat is absoluut mogelijk.”